Waarmee kunnen we u helpen?

-

Berekening van de legitieme portie bij een agrarisch bedrijf: waarom de agrarische waarde voorrang krijgt

In deze uitspraak draait het om een veelvoorkomend probleem in agrarische families: hoe moet je een familiebedrijf waarderen als één van de kinderen wordt onterfd en zijn of haar legitieme portie opeist? De kernvraag: moet je uitgaan van de economische waarde (marktwaarde) of van de agrarische waarde (de waarde waartegen het bedrijf nog kan worden overgenomen en rendabel kan worden voortgezet)?

Die keuze maakt enorm veel uit. Grondprijzen zijn tegenwoordig zo hoog dat een agrarisch bedrijf vrijwel nooit kan worden voortgezet als het tegen economische waarde moet worden overgenomen. Daarom kent de rechtspraak een uitzondering: in sommige situaties mag je afwijken van de economische waarde, zodat het familiebedrijf kan blijven bestaan.

Wat is de legitieme portie?

Als een ouder een kind onterft, heeft dat kind tóch recht op een deel van de erfenis: de legitieme portie. Die wordt berekend over de legitimaire massa, en die bestaat uit:

  1. De waarde van de nalatenschap op de dag van overlijden, plus
  2. Giften die de erflater heeft gedaan of handelingen die worden gezien als gift.

Een onterfd kind heeft recht op de helft van het erfdeel dat het normaal, dus zonder onterving, zou hebben gekregen. Hoeveel dat precies is, hangt af van de zogenoemde legitimaire massa: de waarde van de nalatenschap op het moment van overlijden, eventueel verhoogd met bepaalde giften. Als er een agrarisch bedrijf in de nalatenschap zit, is de waarderingsmethode een beslissende factor bij het bepalen van de hoogte van de legitieme portie.

Voortzettingsjurisprudentie: waarom soms een lagere waarde geldt

In een VOF-overeenkomst kan bijvoorbeeld worden vastgelegd dat bij overlijden van een vennoot de overblijvende vennoten het bedrijf kunnen overnemen tegen de agrarische waarde. Bij de berekening van de legitieme portie kan dit echter tot gevolg hebben dat het verschil tussen de agrarische waarde en de economische (markt)waarde als een schenking /gift wordt aangemerkt. Dit ondermijnt het doel van deze agrarische waardering. De overblijvende vennoot zou in dat geval alsnog moeten afrekenen, wat het risico met zich meebrengt dat het bedrijf failliet gaat.

Het is daarom vaste rechtspraak dat bij agrarische familiebedrijven soms niet de marktwaarde, maar de agrarische waarde mag worden gehanteerd bij de berekening van een nalatenschap of de legitieme portie. Dit is toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  1. het bedrijf kan nog rendabel worden voortgezet, en
  2. het altijd de bedoeling is geweest dat het bedrijf binnen de familie wordt voortgezet.

Bespreking van de uitspraak


Familiegeschiedenis
Vader had een boerenbedrijf dat al vier generaties in de familie zat. Hij dreef het bedrijf samen met moeder in een VOF. Na zijn overlijden in 1999 kreeg moeder alles: de drie kinderen kregen een onderbedelingsvordering van ¼ van de nalatenschap van vader. Moeder zette het bedrijf voort en richtte in 2012 een nieuwe VOF op met haar twee zoons. In die VOF-akte stond een voortzettingsregeling: bij overlijden van moeder mogen de zoons haar aandeel overnemen tegen agrarische waarde. Moeder maakte in haar testament alleen de twee zoons tot erfgenaam. De dochter werd uitgesloten. Na moeders overlijden in 2021 deed de dochter een beroep op haar legitieme portie.

Het geschil
De dochter vond dat het bedrijf tegen economische waarde moest worden meegenomen in de berekening van haar legitieme portie. Omdat de zoons (haar broers) op basis van de VOF-akte voor een veel lagere agrarische waarde konden overnemen, vond zij dat het verschil tussen de economische waarde en de agrarische waarde moest worden gezien als een gift en dus bij de legitimaire massa opgeteld moest worden.

Volgens haar was bovendien:

  • geen sprake van een normale bedrijfsopvolging;
  • het bedrijf niet werkelijk rendabel, omdat het afhankelijk was van subsidies;
  • het lage bedrag dat de zoons aan privé-opnames deden een teken dat de onderneming financieel niet goed draaide, en
  • de VOF vooral opgezet om haar te benadelen.

De zoons beriepen zich op de voortzettingsjurisprudentie, en voerden aan dat:

  • het bedrijf wél winst maakte,
  • het ontvangen van subsidies een bron van inkomsten zijn van een agrarische onderneming
  • zij weinig geld hadden opgenomen omdat ze moesten investeren én de dochter nog moesten uitbetalen uit vaders nalatenschap
  • en moeder duidelijk de bedoeling had dat het familiebedrijf zou worden voortgezet.

Beoordelingskader
Bij de beoordeling van dit geschil hanteert de rechter de volgende door de Hoge Raad vastgestelde uitgangspunten:

  1. De onderlinge verhoudingen tussen de deelgenoten in een onverdeelde boedel moeten worden beoordeeld aan de hand van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Dit betekent dat er geen waarderingsmethode mag worden gebruikt die de voortzetting van een bedrijf dat nog rendabel is, onmogelijk maakt.
  2. De bedoeling van de vennoten moet zijn geweest dat de overblijvende vennoten het bedrijf na het overlijden van de ander konden voortzetten, tegen een vergoeding die laag genoeg is om het bedrijf lonend te houden.

Daarnaast weegt de rechter ook de aard van de onderlinge relatie tussen de deelgenoten mee.

Het oordeel van de rechtbank

  1. Het bedrijf was wél lonend
    De rechtbank vond dat de dochter onvoldoende had onderbouwd dat het bedrijf verliesgevend was. Subsidies horen bij het moderne agrarisch bedrijf en tellen gewoon mee als inkomsten. De lage privé-onttrekkingen waren goed verklaarbaar.
  2. Bij waardering op economische waarde gaat het bedrijf failliet
    Als de zoons moeder zouden moeten uitkopen op basis van economische waarde, zou er zoveel geld uit het bedrijf verdwijnen dat het niet meer voortgezet kon worden. 
  3. De bedoeling van moeder was duidelijk
    Uit de VOF-akte en de familiegeschiedenis blijkt dat moeder het bedrijf wilde veiligstellen voor de zoons. De voortzettingsbepalingen waren daar expliciet voor bedoeld. Dit volgt ook uit het feit dat het bedrijf al vier generaties in de familie zit.

Daarom: toepassing van de agrarische waarde

De rechtbank beslist dat:

  • de agrarische waarde moet worden gebruikt voor de berekening van de legitimaire massa;
  • het verschil tussen economische waarde en agrarische waarde géén gift is;
  • er dus geen verhoging van de legitimaire massa plaatsvindt;

De dochter moet dus genoegen nemen met een veel lagere legitieme portie dan zij had berekend.

Conclusie

Bij agrarische familiebedrijven kan dus onder omstandigheden tegen de agrarische waarde worden overgedragen. Het doel van deze voortzettingsjurisprudentie is duidelijk: het familiebedrijf moet niet ten onder gaan aan overname tegen de economische waarde.

Voor erfgenamen die geen voortzetters zijn, kan dit zuur zijn, maar het is wel de bestaande lijn om agrarische bedrijfsopvolging mogelijk te houden. In de praktijk worden regelmatig meerwaardeclausules gebruikt om de positie van de niet-voortzettende kinderen eerlijker te maken.

Heeft u te maken met een vergelijkbare situatie of wilt u advies over het regelen van een bedrijfsopvolging? Neem dan gerust contact met mij op.

auteur:
Sanne Oxener
soxener@benthemgratama.nl
+31 (0)6 455 694 46

U gebruikt een verouderde browser van Internet Explorer die niet meer wordt ondersteund. Voor optimale prestaties raden wij u aan om een nieuwere browser te downloaden. Hiervoor verwijzen wij u door naar:

browsehappy.com sluiten