Waarmee kunnen we u helpen?

-

De grondentrechter en het voorkeursrecht

In het omgevingsrecht geldt in veel gevallen de grondentrechter. Dit beginsel houdt in dat een partij in hoger beroep alleen die beroepsgronden mag aanvoeren die zij ook al in de beroepsfase bij de rechtbank heeft ingebracht. In een recente uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State van 9 juli 2025 kwam de grondentrechter naar voren in relatie met de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg). In deze blog bespreek ik de uitspraak van de Afdeling.

Wat is de grondentrechter?

Zoals gezegd houdt de grondentrechter in dat een partij in hoger beroep alleen beroepsgronden naar voren mag brengen die in de beroepsfase ook al zijn ingebracht. De grondentrechter is in het omgevingsrecht van bijzonder belang. In zaken over bijvoorbeeld omgevingsvergunningen, omgevingsplannen of andere besluiten op het gebied van de ruimtelijke ordening, zijn vaak derde-belanghebbenden betrokken zoals omwonenden of concurrenten. Het toelaten van nieuwe gronden in hoger beroep kan hun rechtspositie onverwacht beïnvloeden, terwijl zij zich daar in de eerdere procedure niet tegen hebben kunnen verweren.

Sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 9 februari 2022 geldt de grondentrechter tussen beroep en hoger beroep in beginsel niet meer, behalve in omgevingsrechtelijke zaken waar het beschermen van belangen van derden vaak centraal staat. Alleen wanneer het uitgesloten is dat nieuwe gronden in hoger beroep derden kunnen benadelen, kan een uitzondering worden gemaakt.

De uitspraak van 9 juli 2025

In de uitspraak van 9 juli 2025 ging het om een geschil over een voorkeursrecht op grond van artikel 4, eerste lid en sub a, van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg). De gemeenteraad had dit voorkeursrecht gevestigd op gronden die eigendom waren van appellante.

In hoger beroep voerde appellante nieuwe juridische gronden aan die zij niet eerder bij de rechtbank naar voren had gebracht. De gemeenteraad beriep zich op de grondentrechter en stelde dat deze nieuwe gronden buiten beschouwing moesten blijven.

De Afdeling volgde dat standpunt niet. Hoewel de Wvg niet expliciet genoemd was in de uitspraak van 9 februari 2022, kwalificeerde de Afdeling deze wet als een wet “op het gebied van de ruimtelijke ordening” in de zin van die eerdere uitspraak. Daarmee is de grondentrechter in beginsel wél van toepassing.

Toch werd in dit geval een uitzondering aanvaard. De reden: het was uitgesloten dat het toestaan van de nieuwe gronden in hoger beroep zou leiden tot benadeling van derde-belanghebbenden. Met andere woorden: er waren geen belangen van derden die door de nieuwe argumenten geraakt konden worden. De in hoger beroep nieuwe aangevoerde gronden werden daarom toegelaten. De Afdeling wijst er nog op dat bij het aanvoeren van nieuwe gronden in hoger beroep enkele beperkingen kunnen gelden – vergelijk de uitspraak van 9 maart 2022 – maar dergelijke beperkingen doen zich in deze zaak niet voor.

Relevantie voor de praktijk

Deze uitspraak is zeer relevant voor de praktijk van het omgevingsrecht. De uitspraak bevestigt dat de Wet voorkeursrecht gemeenten kwalificeert als een wet “op het gebied van de ruimtelijke ordening”. In beginsel is de grondentrechter daarmee van toepassing op procedures over het voorkeursrecht. De uitspraak laat echter zien dat een uitzondering kan worden gemaakt bij dit soort procedures, wanneer is uitgesloten dat het toestaan van nieuwe gronden zou leiden tot benadeling van derde-belanghebbenden. De uitspraak biedt daarmee een verruiming van de procesmogelijkheden in hoger beroep.

In de praktijk is merkbaar dat het voorkeursrecht een veelgebruikt instrument is. Hoewel de Wet voorkeursrecht gemeenten per 01-01-2024 is vervallen, is de uitspraak onverminderd relevant. Het voorkeursrecht is thans geregeld in de Omgevingswet en de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet. Bovendien is ook overgangsrecht van toepassing.

Conclusie

De uitspraak van 9 juli 2025 bevestigt dat partijen in hoger beroep scherp voor ogen moeten hebben hoe de grondentrechter in omgevingsrechtelijke procedures functioneert. Wanneer zeker is dat geen derden worden benadeeld, kan de bestuursrechter nieuwe gronden in hoger beroep toelaten. Het blijft verstandig om alle mogelijke gronden tijdig aan te voeren in de beroepsfase. Desalniettemin kan het aanvoeren van nieuwe gronden in hoger beroep het verschil maken voor procespartijen tussen verlies en winst van een zaak.

Heeft u vragen over dit onderwerp? Neem dan gerust contact met mij op.

auteur
Jeroen van den Hoorn
jvandenhoorn@benthemgratama.nl
+31 (0)6 830 241 61 

U gebruikt een verouderde browser van Internet Explorer die niet meer wordt ondersteund. Voor optimale prestaties raden wij u aan om een nieuwere browser te downloaden. Hiervoor verwijzen wij u door naar:

browsehappy.com sluiten