Wijziging van vakantiewetgeving per 1 januari 2012
Aanleiding voor de wijziging is een uitspraak van het Europese Hof van Justitie (Arrest Schultz-Hoff/Stringer d.d. 10 januari 2009). In dit arrest ging het om de vraag of een wegens ziekteverlof afwezige werknemer recht heeft om tijdens dat ziekteverlof de jaarlijkse vakantie met behoud van loon op te nemen. Ook speelde de vraag of een werknemer die de gehele referentieperiode wegens ziekte afwezig is, bij beëindiging van het dienstverband recht heeft op een financiële vergoeding voor de minimumvakantie als die niet is opgenomen. Het hof heeft gesteld dat de desbetreffende Europese richtlijn (richtlijn 2003/88/EG) inhoudt dat een recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon geldt voor alle werknemers, ongeacht hun gezondheidstoestand. Onze huidige wetgeving is niet in overeenstemming met de richtlijn en met voornoemde uitspraak van het hof. De wetgever heeft de wet met ingang van 1 januari 2012 met inachtneming van de uitspraak aangepast.
Wettelijke en bovenwettelijke vakantie
Het minimum aantal vakantiedagen is wettelijk vastgelegd. De werknemer verwerft over ieder jaar waarin hij gedurende de volledige overeengekomen arbeidsduur recht op loon heeft gehad, aanspraak op vakantie van ten minste vier maal de overeengekomen arbeidsduur per week. De bovenwettelijke vakantie is vakantie waarop de werknemer bovenop de wettelijke vakantie recht heeft conform de individuele arbeidsovereenkomst of de CAO. De werkgever is verplicht om de werknemer ieder jaar in de gelegenheid te stellen om de wettelijke vakantie op te nemen.
De oude regeling die geldt tot 1 januari 2012
Opbouw van vakantie bij ziekte
De wetgever heeft het redelijk geacht dat tijdens ziekte de opbouw van vakantie afwijkt. De wet bepaalt dat de volledig arbeidsongeschikte werknemer slechts gedurende de laatste zes maanden van zijn ziekte vakantie opbouwt. Een gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer bouwt vakantie op naar evenredigheid van de tijd die hij heeft gewerkt.
Verval van vakantie tot 1 januari 2012
De huidige wetgeving gaat er van uit dat de aanspraak op vakantie (zowel de wettelijke als de bovenwettelijke) verjaart na verloop van vijf jaren na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan. Dit betekent dat aanspraken die zijn ontstaan in januari pas verjaren na verloop van vijf jaren en 11 maanden. Bij CAO of in de individuele arbeidsovereenkomst kan ten aanzien van de bovenwettelijke vakantie anders worden overeengekomen.
Wijziging per 1 januari 2012
Opbouw van vakantie
Vanaf 1 januari 2012 wordt de wet gewijzigd. Er wordt dan geen onderscheid meer gemaakt tussen gezonde en arbeidsongeschikte werknemers voor wat betreft de minimum opbouw van vakantie. Voor de bovenwettelijke vakantie kunnen werkgevers en werknemers zelf afspraken maken in individuele arbeidsovereenkomst of bij CAO.
Opnemen van vakantie bij ziekte
De wetgever acht het van belang dat de werknemer vakantie opneemt, gelet op de herstelfunctie van vakantie. De verplichting van de werkgever om de werknemer in de gelegenheid te stellen om zijn minimum vakantierechten op te nemen geldt dan ook voor alle werknemers, ziek en gezond. Voor de re-integrerende zieke werknemer heeft vakantie hetzelfde doel als voor de gezonde werknemer, namelijk herstellen en uitrusten. Voor de arbeidsongeschikte werknemer die gedeeltelijk de eigen arbeid kan verrichten, geldt dat ingeval vakantie wordt opgenomen, volledig vakantie wordt genoten, ook over de uren waarop hij nog niet werkt. Gelet op het feit dat de beperkte opbouw bij ziekte niet meer geldt, is dat ook logisch.
In de gewijzigde wetgeving zoals die per 1 januari 2012 gaat luiden, wordt erin voorzien dat de zieke werknemer vakantie kan opnemen. De werknemer kan niet worden gedwongen tot het opnemen van vakantie tijdens ziekte, echter de nieuwe wettelijke bepaling voorziet er wel in dat werknemers hierin worden gestimuleerd, net als de gezonde werknemers. Indien een werknemer tijdens een individuele of collectief vastgestelde vakantie ziek is, kunnen de dagen als vakantiedagen worden aangemerkt, mits hij hiermee instemt. De gewijzigde wet ziet alleen op wettelijke vakantiedagen. Voor bovenwettelijke vakantiedagen geldt dat bij schriftelijke overeenkomst kan worden bepaald dat ziektedagen als vakantiedagen kunnen gelden.
Verval van vakantiedagen
Er wordt een nieuw artikel aan de wet toegevoegd waaruit volgt dat de aanspraak op minimumvakantie vervalt zes maanden na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is verworven. Dit is anders indien de werknemer tot aan dat tijdstip redelijkerwijs niet in staat is geweest vakantie op te nemen. In dat geval geldt dat de aanspraak op vakantie niet vervalt. En voor zieke werknemers die gedurende het jaar waarin de aanspraken zijn ontstaan en gedurende de zes maanden daaropvolgend, wegens medische redenen niet in staat waren om vakantie op te nemen, geldt eveneens dat de aanspraken niet zijn vervallen. Voor deze situaties blijft de oude regeling gelden waaruit volgt dat een rechtsvordering tot toekenning van vakantie verjaart door verloop van vijf jaren na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan.
Vakantiedagen die vóór 1 januari 2012 zijn opgebouwd vallen buiten de nieuwe regeling. Voor deze vakantiedagen blijft ook de vervaltermijn van vijf jaren gelden.
Advies
Het is van belang onderscheid te maken tussen wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen. De vervaltermijn van 6 maanden geldt in beginsel alleen voor de wettelijke vakantiedagen. Ten aanzien van de bovenwettelijke vakantiedagen geldt de termijn niet, tenzij in de arbeidsovereenkomst of in de CAO anders is bepaald. Dit vergt van de werkgever een goede administratie waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de wettelijke en de bovenwettelijke dagen en of deze dagen vóór of na 1 januari 2012 zijn ontstaan.
